Competenties van vakdocenten GVO en HVO
Lees of download het gehele document: "Competente vakdocenten GVO en HVO voor de openbare basisschool" (PDF)
Wie bevoegdheid wil zijn om onderwijs te geven, moet over de vereiste competenties beschikken en die tijdens zijn of haar loopbaan ook bijhouden. Daarom geldt de bepaling in de wet Beroepen in het Onderwijs in beginsel ook voor docenten godsdienstonderwijs en levensbeschouwelijk / humanistisch vormingsonderwijs op openbare basisscholen.
Naast de competentiebeschrijvingen is er ruimte voor het ontwikkelen van aanvullende competenties. De docenten die de GVO- en HVO-lessen geven, zijn immers verbonden aan kerken of andere godsdienstige of levensbeschouwelijke organisaties. Deze verbondenheid met de eigen zendende instantie loopt als een rode draad door alle competenties heen. Het uitdrukken van die verbondenheid in relatie tot de eigen levensbeschouwing is onderdeel van de professionaliteit van de docent.
De vaststelling van het document betekent dat de GVO- en HVO-leraren in de toekomst aan de genoemde competenties moeten voldoen. Daarmee is het een instrument voor de vakbekwaamheid van de docenten en voor de kwaliteit van hun onderwijs.
Hieronder een indruk van het document (hoofdstuk 2):
Vakinhoudelijke competenties
De leraar draagt er zorg voor dat, in verbondenheid met de eigen zendende organisatie, een uitdagende leeromgeving gerealiseerd wordt voor leerlingen. In deze omgeving kunnen leerlingen ervaringen opdoen met religieuze of levensbeschouwelijke oriëntatie. De leraar heeft kennis van doel en inhouden van het GVO of HVO en is zich hierbij bewust van de mogelijke bijdrage aan de vormgeving van de identiteit van de school.
Handelingsdimensies
- Leerstofkeuze.
- Didactische opbouw.
- Omgaan met verschillen.
- Evalueren.
Bekwaamheden
- De leraar kan voor het vak GVO of HVO een lessenserie ontwerpen, deze in praktijk brengen en evalueren.
- De leraar kan belangrijke inhouden en uitingsvormen van de eigen religieuze of levensbeschouwelijke traditie duiden en toegankelijk maken voor kinderen.
- De leraar is bereid en in staat rekening te houden met verschillende opvattingen over levensbeschouwing en religie.
- De leraar is in staat om vakinhoudelijke en didactische aspecten van de beschikbare methoden in het eigen vakgebied te beoordelen vanuit levensbeschouwelijke invalshoek.
- De leraar kan afwisselende werkvormen en media toepassen in de lessen.
- De leraar kan aansprekende thema’s of aansprekende lesstof in wisselende werkvormen behandelen.
- De leraar kan levensvragen behandelen op een manier die de leerlingen aanspreekt.
- De leraar kan bij de leerlingen begrip en respect stimuleren voor andere levensbeschouwelijke of religieuze opvattingen.
- De leraar kan werkvormen gebruiken die aansluiten bij verschillende leerstijlen van leerlingen.
- De leraar kan verschillen en overeenkomsten tussen verschillende levensbeschouwingen en religies laten ontdekken en bespreken.
- De leraar kan bestaande methoden vakinhoudelijk en didactisch beoordelen op grond van vastgelegde uitgangspunten in de eigen zendende organisatie.
- De leraar kan aansluiten bij en inspelen op aan de schoolidentiteit gerelateerde inhouden en werkwijzen.
- De leraar kan de dialoog stimuleren en waarderen.
- De leraar kan werkvormen kiezen die passen bij de leerlingen en het doel van het lesonderdeel (bijvoorbeeld filosoferen, kringgesprek, drama).
Kennis
- De leraar heeft kennis van de eigen religieuze of levensbeschouwelijke traditie en de belangrijkste bronnen hiervan. Deze kennis wordt nader ingevuld door de eigen zendende organisatie.
- De leraar heeft algemene kennis van de grote wereldreligies (jodendom, christendom, islam en hindoeïsme) en levensbeschouwingen (boeddhisme en humanisme) in onze samenleving.
- De leraar kent de geschiedenis van het openbaar onderwijs in Nederland.
- De leraar heeft kennis van de positie en de betekenis van het openbaar basisonderwijs in het Nederlands onderwijsbestel.
- De leraar kent belangrijke kenmerken van het openbaar onderwijs (o.a. kernwaarden en actieve pluriformiteit).
- De leraar kent afwisselende werkvormen en media en hun toepasbaarheid.
- De leraar heeft kennis van verschillende leerstijlen.
- De leraar heeft kennis van bestaande methoden voor het vak GVO of HVO.
- De leraar heeft kennis van de (levensbeschouwelijke, pedagogische en onderwijskundige) identiteit van de school waarop hij/zij werkzaam is.
- De leraar heeft kennis van het kennisgebied geestelijke stromingen en kan bijbehorende methodes beoordelen op onderliggende waarden en normen.
- De leraar heeft kennis van het onderwijskundig concept van de school waar hij/zij werkzaam is en weegt af in hoeverre daar in de eigen lessen op aan te sluiten is.
- De leraar heeft algemene kennis van de levensbeschouwelijke/religieuze ontwikkeling van de leerlingen in de leeftijdsgroep waaraan GVO/HVO wordt gegeven.